Spelcheck

Taalkundige termen

    • Accent(teken)

      Teken boven een klinker op een woord van meestal Franse herkomst, bijvoorbeeld op de e in café (= accent aigu), op de a in déjà vu (= accent grave), op de i in maîtresse (= accent circonflexe of dakje). Het trema en het klemtoonteken worden niet beschouwd als een accent.

    • Achtervoegsel

      In een afleiding: element dat niet als los woord kan voorkomen, maar achter een grondwoord wordt toegevoegd. Voorbeelden: (waarde)loos, (hoek)ig. Als het element voor het grondwoord komt, is het een voorvoegsel.

      synoniem: suffix

      Zie ook: uitgang, verbuiging

    • Afbreekteken

      Liggend streepje (-) op het eind van een volgeschreven tekstregel, waarmee we aangeven dat het woord op de volgende regel wordt vervolgd. In de Leidraad en de Woordenlijst worden de mogelijke afbreekplaatsen aangeduid met het teken •.

    • Afbreking

      Het slechts gedeeltelijk schrijven van een te lang woord op het eind van een volgeschreven tekstregel, waarna de rest aan het begin van de volgende regel komt.

    • Afkappingsteken
    • Afkorting

      1. Verzamelnaam voor woorden die niet volledig worden geschreven, maar worden aangeduid met minder letters, doorgaans de beginletter(s). Ook een woordgroep kan worden afgekort. Voorbeelden: ds. (dominee), tv (televisie), NAVO (Noord-Atlantische Verdragsorganisatie). Afkortingen in ruime zin worden vaak ingedeeld in echte afkortingen, letterwoorden, initiaalwoorden, symbolen en verkortingen.

      2. (Echte afkorting) aanduiding van een woord of een woordgroep door een beperkt aantal letters, die we uitspreken als het geheel. Voorbeelden: ds. (we spreken uit: dominee), m.a.w. (we spreken uit: met andere woorden).

    • Afleiding

      Geleed woord dat bestaat uit een grondwoord en een of meer voor- of achtervoegsels. Voorbeeld: onschuldig, dat bestaat uit het voorvoegsel on-, het grondwoord schuld en het achtervoegsel -ig.

    • Apostrof

      Teken (') dat de weglating van een of meer letters aanduidt, of dat we gebruiken om een open lettergreep open te houden als er bijvoorbeeld een uitgang of achtervoegsel volgt. Voorbeelden: m'n vriendin; opa's fiets; een baby'tje.

      synoniemen: afkappingsteken, weglatingsteken

    • Beklemtoonde lettergreep

      Deel van het woord waar een klemtoon op ligt. Bijvoorbeeld: in het woord voorstellen zijn voor en stel beklemtoond, waarbij voor de hoofdklemtoon draagt en stel een nevenklemtoon; len is onbeklemtoond.

    • Bezits-s

      Achtervoegsel dat we aan een zelfstandig naamwoord hechten om een bezits- of afhankelijkheidsrelatie aan te duiden. Voorbeeld: de s in mijn broers kamer of in Anna's handschrift.

      synoniem: genitief-s

    • Bezitsvorm

      Vorm van een zelfstandig naamwoord met een bezits-s. Voorbeeld: moeders in moeders pc.

      synoniem: genitief

    • Bijwoord

      Woord dat een bijvoeglijk naamwoord, een ander bijwoord, een werkwoord of een gehele zin bepaalt. Voorbeeld: heel in een heel mooi boek; erg in erg goed gegeten; lang in ik heb lang geslapen; misschien in misschien lukt het.

    • Dakje
    • Deelteken

      Zie: trema

    • Diminutief
    • Donorprincipe

      Het respecteren van de schrijfwijze die in de taal van herkomst gebruikt wordt of die de oprichter, de ontwerper of de eigenaar van een instelling of merk heeft gekozen. Zo kan iemand een eigennaam vastleggen die afwijkt van de officiële spellingregels, bijvoorbeeld het hoofdlettergebruik in StuBru (Studio Brussel) of PvdA (Partij van de Arbeid).

    • Eigennaam

      Officiële naam waarmee men verwijst naar een unieke persoon, plaats, zaak, instelling, een merk of een historische gebeurtenis. Voorbeelden: Gina, T. Janssens, Van de Velde, Soest, Polynesië, Eiffeltoren, Raad van State, Mercedes-Benz, Tweede Wereldoorlog.

    • Etymologie

      Herkomst en ontwikkeling van de vorm en de betekenis van een woord. Door het beginsel van de etymologie schrijven we de klank /ei/ soms met een lange ij, soms met een korte ei.

    • Gedekte klinker
    • Geleed woord

      Woord dat bestaat uit verschillende onderdelen, namelijk een of meer grondwoorden, en voor- of achtervoegsels. Voorbeelden: keukendeur (twee grondwoorden: keuken en deur); keukentje (grondwoord keuken met achtervoegsel tje).

      Zie ook: samenstelling, afleiding, ongeleed woord

    • Gelegenheidsontlening

      Vreemd woord of vreemde uitdrukking die incidenteel in een Nederlandse tekst wordt gebruikt, bijvoorbeeld om iets van de sfeer van de vreemde taal over te brengen op de lezer, of omdat het in de vreemde taal om een gevleugeld woord gaat. Vaak wordt een gelegenheidsontlening cursief gedrukt. Voorbeeld: ‘Het was werkelijk ‘another brick in the wall.''

    • Gelijkvormigheid

      Spellingbeginsel waardoor we een gelijk woorddeel zo veel mogelijk op gelijke wijze schrijven. Voorbeeld: voed altijd met d in: ik voed, jij voedt, ik voedde, het voeden, het voedsel, de voeding.

      synoniem: vormovereenkomst

    • Genitief
    • Genitief-s
    • Genus
    • Gesloten lettergreep

      Lettergreep die eindigt op een medeklinker. Voorbeeld: mak, maak, buurt, han•den, mor•gen.

    • Grens tussen woorddelen

      Plaats waar twee woorddelen elkaar raken in een samenstelling of afleiding. Voorbeeld: de plaats tussen de n en de d in keukendeur, tussen de n en de h in schoonheid. Op de grens tussen woorddelen horen we in een samenstelling soms een tussenklank. Voorbeeld: tussen station en gebouw horen we een s in stationsgebouw.

    • Grondwoord

      Woord waarvan uitgegaan wordt bij de vorming van een samenstelling (met een ander grondwoord, bijvoorbeeld: keukendeur) of van een afleiding (met een voorvoegsel en/of een achtervoegsel, bijvoorbeeld: ondeugdelijk).

    • Infinitief
    • Inheems woord

      Woord dat in alle opzichten tot onze taal behoort en bestaat uit klanken die tot het Nederlandse spraaksysteem behoren. Inheemse woorden zijn van Nederlandse oorsprong (mens, meisje), of zijn in die mate vernederlandst dat hun vreemde herkomst niet meer te herkennen is (kasteel, venster).

    • Initiaalwoord

      Woord dat gevormd wordt met de beginletters van afzonderlijke woorden en dat we uitspreken als een reeks letternamen. Voorbeeld: pc: /peesee/ personal computer.

      Zie ook: letterwoord, afkorting

    • Klemtoon

      Nadruk waarmee een woord of een woorddeel wordt uitgesproken. Bij meerlettergrepige woorden krijgt één lettergreep de hoofdklemtoon. Bijvoorbeeld: in het woord ondoorgrondelijk zijn deze lettergrepen onbeklemtoond: on-door-gron-de- lijk. Hier ligt de hoofdklemtoon: on-door-gron-de-lijk. Hier ligt een nevenklemtoon: on-door-gron-de-lijk.

    • Klemtoonteken

      Teken boven een klinker of tweeklank, waarmee we een bijzondere klemtoon aanduiden. Het teken heeft dezelfde vorm als het Franse accent aigu. We plaatsen bijvoorbeeld een klemtoonteken als we niet zomaar de oplossing willen noemen, maar dé oplossing, of als we een tegenstelling willen accentueren: het was een fíéts, geen brómfiets.

      synoniem: nadrukteken

    • Klinker

      1. De lettertekens a, e, i, o, u en in de meeste gevallen y of combinaties daarvan, bijvoorbeeld aa, oe (maar niet de tweeklanken zoals au en ui) ;

      2. De klanken die door deze letters worden voorgesteld.

      Zie ook: medeklinker, tweeklank

    • Klinkerbotsing

      Verwarring die kan ontstaan wanneer we twee letters die meestal één klinker of tweeklank voorstellen (bijvoorbeeld aa of ui), in een woord toch afzonderlijk moeten lezen (dus als a-a of u-i) omdat ze tot verschillende lettergrepen behoren. We kunnen klinkerbotsing oplossen met een koppelteken of een trema. Voorbeeld: auto-onderdelen, ruïne.

    • Klinkerwisseling

      Verandering van klinker, bijvoorbeeld als we een sterk werkwoord van de tegenwoordige naar de verleden tijd brengen, of als we een onregelmatig meervoud vormen. Voorbeelden: ik lees – ik las; schip – schepen.

    • Koppelteken

      Liggend streepje (-) dat wordt gebruikt als verbindingsteken tussen de delen van sommige samenstellingen en samenkoppelingen.

    • Korte klinker

      De klinkers van bal, bel, bil, bol, bul.

      synoniem: gedekte klinker

    • Lange klinker

      De klinkers van baan, been, bier, boon, duw, boer, beul.

      synoniem: vrije klinker

    • Leenwoord
    • Lettergreep

      Elke klankgroep die we onderscheiden als we een woord scanderen en die in geschreven vorm bestaat uit een klinker met eventueel daaromheen medeklinkers. Voorbeeld: on-door-gron-de-lij-ke. Een lettergreep kan open of gesloten zijn.

    • Letterwoord

      Woord dat gevormd wordt met de beginletters van afzonderlijke woorden, die we samen als een woord uitspreken. Voorbeeld: havo: /haavoo/ hoger algemeen voortgezet onderwijs.

      Zie ook: initiaalwoord, afkorting

    • Liggend streepje
    • Linkerdeel

      In een samenstelling: het eerste van twee woorddelen. Voorbeeld: in keukendeur is keuken het linkerdeel. Ook in een drie- of meerdelige samenstelling spreken we van een linkerdeel. We bedoelen dan: het woorddeel of de woorddelen links van de grens die we in beschouwing nemen. Voorbeeld: als we het over de tussenklank /s/ hebben in studentenbevolkingsaangroei, noemen we studentenbevolking het linkerdeel en aangroei het rechterdeel, maar als we het over de tussenklank /ə / hebben in hetzelfde woord, noemen we studenten het linkerdeel en bevolking het rechterdeel.

      synoniem: linkerlid

    • Linkerlid
    • Medeklinker

      1. De lettertekens b, c, d, f, g, h, j, k, l, m, n, p, q, r, s, t, v, w, x, z en enkele combinaties daarvan, bijvoorbeeld ch, ng, sj en th. In een woord als yoghurt is de y ook een medeklinker.

      2. De klanken die door deze letters worden voorgesteld.

      Zie ook: klinker

    • Nabepaling

      In een samenstelling of een woordgroep: element dat komt na het woord dat wordt bepaald. Voorbeeld: verbaal is een nabepaling in de samenstelling proces-verbaal; met een puntdak is een nabepaling in de woordgroep huizen met een puntdak.

    • Nadrukteken
    • Onbeklemtoonde lettergreep

      Elk van de delen van een woord waar geen klemtoon op ligt. Bijvoorbeeld: in het woord onoverkomelijk zijn deze lettergrepen onbeklemtoond: on-o- ver-ko-me-lijk. Hier ligt de hoofdklemtoon: on-o-ver-ko-me-lijk. Hier ligt een nevenklemtoon: on-o-ver-ko-me-lijk.

    • Onbepaalde wijs van een werkwoord

      De vorm van een werkwoord die in een woordenboek is opgenomen. Deze vorm is onbepaald wat persoon, getal en tijd betreft. Doorgaans eindigt de onbepaalde wijs op -en, soms op -n. Voorbeelden: lopen, werken, eten, gaan, zien, doen, zijn.

      synoniem: infinitief

      Zie ook: vervoeging, persoonsvorm

    • Ongeleed woord

      Woord waarin we geen samenstellende woorddelen (grondwoorden, voor- of achtervoegsels) kunnen onderscheiden. Voorbeeld: keuken. In de samenstelling keukendeur en de afleiding keukentje zijn wel woorddelen te onderscheiden. Sommige woorden zijn van oorsprong samenstellingen of afleidingen, maar omdat we de delen nauwelijks nog onderscheiden, worden ze behandeld als ongeleed. Voorbeeld: coëfficiënt volgt de regels voor klinkerbotsing bij ongelede woorden, want het wordt niet herkend als co+efficiënt; co-existeren wordt wel herkend als co+existeren en volgt daarom de regels voor klinkerbotsing bij samenstellingen.

    • Onregelmatig werkwoord

      Werkwoord dat bij de vervoeging wisselingen van klinkers en/of medeklinkers vertoont. Voorbeelden: lopen – liep – gelopen; brengen – bracht – gebracht. Als de vervoeging buiten de klinkerwisseling regelmatig verloopt, wordt een onregelmatig werkwoord ook sterk werkwoord genoemd. Daarnaast zijn er werkwoorden als zijn en hebben die niet volgens regels vervoegd worden.

      Zie ook: sterk werkwoord

    • Open lettergreep

      Lettergreep die eindigt op een lange klinker of een tweeklank. Bijvoorbeeld: ma(ken), bo(ter), lui(den).

    • Persoonsvorm

      De vervoegde vorm van een werkwoord in een zin. Deze vorm wordt gekenmerkt door een persoon (eerste, tweede, derde), een getal (enkelvoud of meervoud) en een tijd (bijvoorbeeld tegenwoordige of verleden tijd). Voorbeeld: zit of zat in Jeroen zit/zat aan de computer.

    • Prefix
    • Rechterdeel

      In een samenstelling: het tweede van twee woorddelen. Voorbeeld: in keukendeur is deur het rechterdeel. Ook in een drie- of meerdelige samenstelling spreken we van een rechterdeel. We bedoelen dan: het woorddeel of de woorddelen rechts van de grens die we in beschouwing nemen. Voorbeeld: als we het over de tussenklank /s/ hebben in studentenbevolkingsaangroei, noemen we aangroei het rechterdeel en studentenbevolking het linkerdeel. Als we het over de tussenklank /ə / hebben in hetzelfde woord, noemen we bevolking het rechterdeel en studenten het linkerdeel.

      synoniem: rechterlid

    • Rechterlid
    • Reduplicatie

      Herhaling van een lettergreep of een woorddeel in een woord als tuftuf of pilipili. Als er een klinkerwisseling is, spreken we van bijna-reduplicatie. Voorbeeld: rimram.

    • Samenkoppeling

      Twee of meer woorden die vaak samen voorkomen en daardoor een vaste uitdrukking zijn gaan vormen, die zich in haar geheel gedraagt als een samengesteld woord. Voorbeeld: een kruidje-roer-me-niet. De grens tussen samenkoppeling en woordgroep is niet scherp te trekken. Een samenkoppeling kan een samenstelling vormen met een ander woord. Voorbeeld: zwart-wit; een zwart-wittoestel.

    • Samenstelling

      Geleed woord dat bestaat uit twee of meer grondwoorden, eventueel verbonden door een tussenklank. De samenstelling heeft doorgaans een betekenis die verband houdt met de grondwoorden. Zo is een badkamerdeur een deur die toegang geeft tot een kamer waar een bad staat. Een samenstelling heeft één hoofdklemtoon en wordt doorgaans in één woord geschreven of met een koppelteken. De delen van een samenstelling noemen we het linkerdeel en het rechterdeel.

    • Samentrekking

      Het weglaten van een deel in een woordgroep waarin een gelijkwaardig element voorkomt. Op de plaats van het weggelaten element dat een deel is van een samenstelling, schrijven we een weglatingsstreepje. Voorbeeld: land- en tuinbouw voor landbouw en tuinbouw.

    • Sisklank

      De klanken /s/, /z/, /sj/, /ts/, /tsj/, /zj/ en /dzj/ zoals we ze horen aan het begin van samen, zalf, shampoo, tsaar, check, journaal en jeans.

    • Sjwa
    • Soortnaam

      Woord waarmee wordt verwezen naar een persoon, dier, plaats, instelling, merk, zaak, tijdstip, door de soort te noemen waartoe een bedoeld individu of exemplaar behoort. De meeste soortnamen kunnen we laten voorafgaan door een onbepaald lidwoord (een). Een menselijk individu heet bijvoorbeeld Mieke (dat is haar eigennaam), maar er kan naar deze persoon verwezen worden met verschillende soortnamen, want zij is bijvoorbeeld een mens, een meisje, een studente, een zangeres.

    • Stam van een werkwoord

      Basisvorm van een werkwoord, dat wil zeggen de onbepaalde wijs zoals we die uitspreken min de uitgang /ə /, /ə n/ of /n/. De stam van lopen is loop, de stam van staan is sta.

    • Stemhebbende medeklinker

      De medeklinkers die niet voorkomen in 't kofschip, namelijk /b/, /d/, /g/, /v/, /z/, /zj/, /dzj/,

      /g/, /m/, /n/, /ng/, /l/, /r/, /w/, /j/. Als we deze medeklinkers uitspreken, laten we onze stembanden trillen.

    • Stemloze medeklinker

      De medeklinkers die voorkomen in 't kofschip, namelijk /t/, /k/, /f/, /s/, /ch/, /p/, plus de /sj/. Als we deze medeklinkers uitspreken, laten we onze stembanden niet trillen.

    • Sterk werkwoord

      Werkwoord dat bij de vervoeging in de verleden tijd en/of de vorming van het voltooid deelwoord een klinkerwisseling (soms ook medeklinkerwisseling) vertoont. Voorbeeld: eten – at – gegeten; kopen – kocht – gekocht.

      Zie ook: onregelmatig werkwoord

    • Stomme e
    • Suffix
    • Symbool

      Nationaal of internationaal genormeerde term om een technisch of wetenschappelijk begrip aan te duiden. Voorbeeld: C (koolstof). De spellingregels voor symbolen gelden ook voor valutatekens, zoals £ (pond sterling) en € (euro).

    • Toonloze e

      De onbeklemtoonde klinker in bijvoorbeeld de lettergrepen de, be(ginnen), (vol)gen, (he)vig, (eer)lijk.

      synoniem: sjwa, stomme e, toonloze e

    • Trema

      Twee puntjes op een klinker die apart van een voorafgaande klinker moet worden uitgesproken, zoals in poëzie. De umlaut, bijvoorbeeld in hüttenkäse, wordt niet beschouwd als een trema.

      synoniem: deelteken

    • Tussen-n

      De n die we in een aantal gevallen aan de e schrijven tussen de woorddelen in een samenstelling of afleiding als we daar een toonloze /ə / of /ə n/ horen. Voorbeeld: de n in hondenhok (hond+en+hok), ziekenhuis (zieke+n+huis) of heldendom (held+en+dom).

    • Tussen-s

      De s die we in een aantal gevallen schrijven tussen de woorddelen in een samenstelling. Voorbeeld: de s in dorpskern.

    • Tussenklank

      Klank die we horen tussen de woorddelen in sommige samenstellingen en afleidingen. Voorbeelden: de /s/ tussen station en gebouw in stationsgebouw, de toonloze /ə /*, soms uitgesproken als /ə n/, tussen eeuw en oud in eeuwenoud, de toonloze /ə / tussen vrucht en loos in vruchteloos.

    • Tussenletter

      Een letter (e, n of s) of een lettercombinatie (en) die we spellen in een woord waar we een tussenklank horen. Voorbeeld: -en- in eikenboom.

    • Tweeklank

      De klinkers van krijt, koud, kruid. De /ei/ kunnen we schrijven als een lange ij of een korte ei. De /au/ kunnen we schrijven als au of als ou.

    • Uitgang

      Element dat we toevoegen aan een woord dat we verbuigen of vervoegen. Voorbeeld: -e aan het eind van andere, -te aan het eind van lachte.

      Zie ook: verbuiging, vervoeging

    • Uitheems woord

      Woord dat we uit een vreemde taal hebben overgenomen. Soms is een uitheems woord te herkennen aan uitheemse klanken, bijvoorbeeld de /zj/ in journaal of de /i/ in timbre. Een uitheems woord past zich doorgaans in de loop van de tijd aan de Nederlandse taalregels aan. Het wordt dan bastaardwoord genoemd. Vaak wordt de spelling dan vernederlandst. Zo is de c die nog te zien is in vacant, in het woord vakantie vervangen door een k. Sommige woorden uit vreemde talen worden nog als zuiver uitheems beschouwd. Ze behouden dan hun spelling. Voorbeelden: paella, délégué, perpetuum mobile. Ook de meeste woorden uit het Engels behouden hun spelling: computer,baby.

      synoniem: leenwoord, vreemd woord

      Zie ook: inheems woord

    • Uitspraakteken

      Accent aigu of accent grave op een e, waarmee we in uitzonderlijke gevallen aangeven dat we de klank van mee uitspreken (hé) of de klank van met (hè).

    • Umlaut

      Twee puntjes in een woord van Duitse of Scandinavische oorsprong om aan te duiden dat ä als /ee/ of /è/ gelezen moet worden, ü als /uu/ (en niet als /oe/), ö als /eu/. Voorbeelden: übermensch, knäckebröd.

    • Verbuiging

      Vormverandering die nodig is om een woord bij andere woorden te doen passen. Voorbeeld: ons wordt onze, nieuw wordt nieuwe, schoen wordt schoenen in: onze nieuwe schoenen. Verbuiging doet zich voor bij zelfstandige naamwoorden (enkelvoud of meervoud), voornaamwoorden (ons/onze) en bijvoeglijke naamwoorden of bijwoorden (met of zonder e). Meestal krijgt een verbogen woord een specifiek toevoegsel, dat we uitgang noemen.

    • Verkleinwoord

      Afleiding van een zelfstandig naamwoord met bijvoorbeeld het achtervoegsel -je of -tje. Voorbeeld: kindje, eitje.

      synoniem: diminutief

    • Verkorting

      Verkorte vorm van een woord of woordgroep die ontstaat door weglating van een of meer lettergrepen. Voorbeeld: prof (professor/professioneel), horeca (hotel, restaurant, café).

    • Verledentijdsstam

      Vorm van een onregelmatig werkwoord die we horen in de meervoudsvormen van de verleden tijd, min de uitgang -en. Voorbeeld: lopen – we liepen – verledentijdsstam: liep.

    • Versteende samenstelling

      Geleed woord dat niet meer herkend wordt als een samenstelling, of waarin we de betekenis van een of meer woorddelen niet meer herkennen. Voorbeeld: bolleboos.

    • Vervoeging

      Vormverandering die nodig is om een werkwoord in een zin te doen passen, voornamelijk door aan de stam een uitgang toe te voegen. Voorbeeld: werken wordt werkten in de zin: mijn ouders werkten in Breda. Bij de vervoeging wordt een tijd (tegenwoordig of verleden, voltooid of onvoltooid), een persoon (eerste, tweede, derde) en een getal (enkelvoud of meervoud) toegekend aan het werkwoord.

      Zie ook: onregelmatig werkwoord, persoonsvorm, verbuiging

    • Voorbepaling

      In een samenstelling of in een woordgroep: element dat voor het woord komt dat wordt bepaald. Voorbeeld: oud is een voorbepaling in de samenstelling oud-voorzitter, hoge is een voorbepaling in de woordgroep hoge huizen.

    • Voornaamwoordelijk bijwoord

      Samenstelling van een bijwoord (bijvoorbeeld er, hier, daar, waar) en een of meer voorzetselbijwoorden (bijvoorbeeld aan, bij, in, voor). Voorbeelden: eraan, hierbij, waarvoor, eronderdoor.

    • Voorvoegsel

      In een afleiding: element dat niet als los woord kan voorkomen, maar voor een grondwoord wordt geplaatst. Voorbeelden: on(schuld), be(gaan). Als het element achter het grondwoord komt, is het een achtervoegsel.

      synoniem: prefix

      niet te verwarren met: voorzetsel

    • Voorzetsel

      Woord zoals in, op, aan, tegen, bij. Het geeft een bepaalde relatie aan (vaak in ruimte of tijd) tegenover datgene waarnaar het volgende zelfstandig naamwoord verwijst. Voorbeeld: in de kast, tegenover op de kast.

      niet te verwarren met: voorvoegsel

    • Voorzetselbijwoord

      Voorzetsel dat de functie heeft van een bijwoord. Voorbeeld: op in Tom is nog op.

    • Vormovereenkomst
    • Vreemd woord
    • Vrije klinker
    • Weglatingsstreepje

      Liggend streepje in een woordgroep op de plaats waar door samentrekking een deel van een samenstelling wordt weggelaten. Voorbeeld: in land- en tuinbouw.

    • Weglatingsteken
    • Woorddeel

      Een van de grondwoorden in een samenstelling, of een grondwoord of een voor- of achtervoegsel in een afleiding. Voorbeelden: in onderdompelingen de delen onder+dompel+ing+en.

    • Woordgeslacht

      Onderscheid tussen de-woorden en het-woorden, en bij de-woorden soms het onderscheid tussen mannelijke en vrouwelijke woorden.

      synoniem: genus

    • Woordgroep

      Opeenvolging van woorden die bij elkaar horen. Voorbeeld: heel mooie bomen in een rij. De scheidingslijn tussen samenkoppeling en woordgroep is niet scherp te trekken.

    Bron Overheid.nl – Besluit bekendmaking spellingvoorschriften.